hoofdmenu

Van oorlogsvrijwilliger tot pacifist

Op 6 november 1999 hield Maarten Schaafsma, bestuurslid van Pais en voor deze vereniging betrokken bij het L.B.V.O. (Landelijk Beraad Vredes Organisaties) een rede voor de plaatselijke raad van kerken te Velp, die hiernaast, zij het gedeeltelijk, letterlijk weergegeven is.

Aanleiding daartoe vormde de foto-expositie aldaar, onder de naam: Nederlands Indië - Onvoltooid verleden tijd.

Ds. Jeannet van de Kamp, dochter van een in 1998 overleden oud-militair stelde de tentoonstelling samen. Ter illustratie van het veranderde denken van Maarten hebben we tevens de brief afgedrukt die hij op 10 februari 1949 vanuit Java aan zijn ouders schreef.

de toespraak

Dames en heren,

Als iemand wordt gevraagd, hoe hij van oorlogsvrijwilliger een pacifist is geworden, dan moet hij toch eerst vertellen, hoe hij er toe kwam om oorlogsvrijwilliger te worden.

Ik ben geboren in een gereformeerd gezin. Negen kinderen en ik was de jongste. Mijn vader was kerkelijk en politiek zeer meelevend. Anti-revolutionair natuurlijk. Maar omdat hij landelijk voorzitter van de Nederlandse Christelijke Bouwarbeiders Bond was, werd hij altijd al in de linkse hoek geplaatst. De crisis in de jaren dertig en het gevecht om betere sociale voorzieningen beheerste zijn leven. En eigenlijk dat van ons hele gezin. Uit geloofsovertuiging verafschuwden wij het Nationaal Socialisme, en tijdens de Duitse bezetting waren wij op verschillende manieren betrokken bij het verzet. Twee van mijn broers sloten zich aan bij een knokploeg, die rond het vliegveld Soesterberg sabotagedaden verrichtte. Maar zij werden vlak voor de bevrijding door de SS opgepakt en vermoord.

Na de oorlog wilde ik als vrijwilliger naar Nederlands Indië om onze rijksgenoten van de Jappen te bevrijden. Mijn oom was zendingsarts en hij noemde Soekarno een gevaarlijke revolutionair. Een soort Mussert, die de inlanders opriep om het Nederlandse juk voorgoed af te werpen. "Azië voor de Aziaten" was zijn leus. En in een radiorede in 1943 zei hij: "Samen met Japan zullen we Engeland vernietigen en Amerika platstrijken". En dat maakte hem voor ons onmogelijk.

Ik volgde in Engeland een gedegen militaire opleiding als infanterie-instructeur en in de tweede helft van 1946 en het begin van 1947 was ik betrokken bij de opleiding van een dienstplichtig bataljon grenadiers. En met dat bataljon ben ik bijna drie jaar in Oost-Java geweest. De foto's van deze tentoonstelling gaan over dat bataljon.

15 augustus 1945 capituleerde Japan. 17 augustus verklaarde Soekarno Indonesië onafhankelijk.

Maar Nederland wilde eerst de vooroorlogse toestand herstellen en daarna over onafhankelijkheid onderhandelen. Toen liet Soekarno door fanatieke jongeren duizenden Nederlanders vermoorden, die in de Jappenkampen geïnterneerd waren geweest. De Bersiap. Maar intussen waren er al diverse troepenschepen met oorlogsvrijwilligers van Nederland naar Indonesië onderweg. En dat maakte de Indonesiërs woedend.

Engelse troepen hadden de belangrijkste havensteden van de Japanners overgenomen en die werden eind 1945 en begin 1946 aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen. Er werd wel onderhandeld met de inmiddels gevormde Indonesische regering, maar de eis voor onafhankelijkheid werd afgewezen. In die situatie arriveerden wij in juni 1947 in Soerabaja.

Voornamelijk uit economische belangen werden in juli 1947 grote delen van Java en de andere eilanden bezet. Dadelijk werd met de wederopbouw begonnen. De oliemaatschappijen, de koffie-, tabak-, thee-, rubberplantages en de suikerfabrieken kwamen weer in Nederlandse handen. Overal werd hard gewerkt aan het herstel. Het gaat goed, dachten wij. Maar de Indonesiërs waren er niet zo blij mee. Het Indonesische leger, de T.N.I. waarvan wij dachten dat het verslagen was, begon een guerrilla-oorlog die werd gesteund door de kampong bewoners. Daaruit bleek dat de inlanders zich bewust waren van hun recht op onafhankelijkheid.

Wij hadden als soldaten bedienden ter beschikking. Meest jonge vrouwen, baboe's en jongens, djongossen, die voor ons de was deden, onze onderkomens schoonhielden, ons eten brachten, onze sokken stopten en onze schoenen poetsten. 's Avonds en 's nachts waren ze meestal bijeen in een aparte kamponghut. Ik vroeg eens: "Kennen jullie het Indonesische volkslied, het Indonesia Raya?" "Ja". "Zing het eens." Ik was verbaasd over de hartstocht en de gloed, waarmee ze het zongen. Toen wist ik: wij vechten niet tegen extremisten, terroristen en rampokkers. Het is een volksoorlog. Zo noemt de Indonesische generaal Simatoepang - een integer man - het in zijn boek: Het laatste jaar van de Indonesische vrijheidsstrijd.

Nederland achtte een tweede militaire operatie nodig. Daarbij werd Soekarno en zijn voltallige kabinet gevangen genomen. Maar op last van de VN werd hij weer vrij gelaten en keerde hij met zijn regering naar zijn hoofdstad Djokjakarta terug. Toen barstte de guerrilla-oorlog in alle hevigheid los. Er sneuvelden steeds meer Nederlandse soldaten, een en dertig in ons bataljon. Toen begonnen ook de keiharde represailles van onze kant. Ik schreef op 10 februari 1949 naar huis:

"De toestand op Oost-Java verloopt niet zo gunstig als wij hadden verwacht. De zuiveringsoperaties hebben niet veel resultaat. Het is voor ons zaak de juiste bestrijdingsmethode te vinden. Wij zijn genoodzaakt strenger en harder te moeten optreden dan tot nu toe ooit is gebeurd. Wij zijn in een stadium, waarover gezwegen moet worden. Als het eindresultaat maar bevredigend is. Het is niet prettig zo te moeten optreden, maar na enig nadenken, geloof ik dat het verantwoord is." Dat was het niet! Er werden razzia's gehouden, waarbij jonge Indonesiërs, waarvan werd vermoed dat zij guerrillastrijders waren, werden neergeschoten. De film van Hella Haase "Oeroeg" en de documentairefilm "Tabeh Toean" liegen er niet om.

Volgende maand is het vijftig jaar geleden dat wij de soevereiniteitsoverdracht meemaakten. Enkele maanden later keerden wij verbitterd naar Nederland terug. Indonesië was onafhankelijk. Maar wij lieten zesduizend gesneuvelde kameraden op de "Erevelden" achter.

Toen begreep ik dat militair geweld vrijwel nooit een bevredigende oplossing brengt. Het laat alleen de puinhopen achter! Zoals in Indonesië, Vietnam, Afghanistan, Irak, Angola, de Balkan, Timor, Tsjetsjenië, Kashmir enz.

Met militair ingrijpen wordt niet het onrecht bestreden, maar de belangen van de machthebbers gediend. Soldaten zijn niet opgeleid om onrecht te bestrijden. Mijn eerste les in de opleiding als infanterie-instructeur in Engeland was: Je bent soldaat om in oorlogstijd zoveel mogelijk tegenstanders onschadelijk te maken.

Er zijn voor de vrede in de wereld andere mensen nodig dan soldaten. Dat is de overtuiging van een pacifist.

(Redactie: Maarten sprak vervolgens o.a. over geweldloze conflictoplossing, de Stichting Burger Vredesteams, de rol van de wapenindustrie en over het uitroepen door de VN van de eerste 10 jaar van de 21ste eeuw tot het Decennium voor een Cultuur van Vrede en Geweldloosheid, om te eindigen met:)

Hoe verderfelijk oorlogvoeren voor de soldaten zelf is, blijkt uit de Golfoorlog. Na de glorieuze overwinning hebben honderdduizend geallieerde soldaten gezondheidsklachten. Of door het gebruik van uranium munitie, of door het innemen van pillen, die hen tegen zenuwgas moesten beschermen. De aard van het oorlogvoeren is totaal veranderd. Maar zoals de slavernij kon worden afgeschaft en sociale voorzieningen in de beschaafde landen normaal zijn geworden , zo geloven wij pacifisten dat ook oorlogvoeren en militair geweld tot het verleden kan gaan behoren. Zij zullen de oorlog niet meer leren, profeteerde Jesaja 2500 jaar geleden en dat mag je serieus nemen. Als de oorlog niet meer geleerd wordt, dan moet je de vrede leren!

Maarten Schaafsma

brief van Maarten aan zijn ouders

Kediri, 10-2-'49

Geliefde ouders en verdere familie!

Gisterenavond toen ik terugkwam van mijn eerste patrouille na mijn malariakuur vond ik twee brieven van u op mijn tampatje en wel van 23 en 30 januari, waaruit blijkt dat de postverbinding weer vrij normaal is.

Gelukkig stond er veel goed nieuws in en het voornaamste was wel dat Sjoerd weer hersteld uit het hospitaal is teruggekeerd. Ook las ik dat u van mij ook wat post ontvangen had en daar zal intussen wel wat bij gekomen zijn omdat ik de laatste tijd vrij veel geschreven heb zodat u een tamelijk goed overzicht hebt van de gebeurtenissen der laatste weken.

U zult echter ook wel via de radio en de kranten vernomen hebben hoe de toestand in Oost-Java verloopt, dus weet u ook dat dit niet zo gunstig is als verwacht werd. Dit gebied is enorm groot en het aantal Nederlandse troepen is niet groot genoeg om direct deze hele streek geheel onder controle te houden.

Niet dat de Nederlandse militaire posten zoveel last van de ploppers hebben, daar hebben ze nog steeds geen 'branie' genoeg voor, maar juist de gebieden waar geen militairen zijn, daar komen veel sabotagedaden voor.

Toch hebben de zuiveringspatrouilles in die gebieden niet veel resultaat opgeleverd omdat de ploppers in de kampongs goed werkende alarmsystemen hebben en zich bijtijds uit de voeten maken.

Nu wordt een andere tactiek toegepast, namelijk ze in een bepaalde richting opjagen en daar worden ze opgevangen door troepen die daar in alle stilte in hinderlaag zijn gelegd.

Maar ook bij deze manier gaan de ploppers nog als water tussen de handen door. Men schijnt in deze gebieden volleerd te zijn in het voeren van bendeactiviteit, en dat is geen wonder. In de Republikeinse tijd was het hier altijd al onrustig en ook de communisten hadden in Kediri veel invloed. Het is voor ons maar zaak de juiste bestrijdingsmethode te vinden en dan zal ook de onrust hier spoedig verdwijnen. Het is echter gebleken dat wij hier niet klaar komen door wat rijst en textiel en kininepillen uit te delen zoals bij Griosée. En omdat het noodzakelijk is zo snel mogelijk ook hier rust en orde te herstellen zijn we genoodzaakt hier strenger en harder op te treden dan tot nu ooit gebeurd is. Wij kunnen natuurlijk niet aan de gang blijven met herstellen van wegen en bruggen die keer op keer door de ploppers worden vernield.

De inlanders zijn echter bang om openlijk aan onze zijde te komen omdat wij hen voorlopig geen blijvende bescherming kunnen verlenen tegen de resten van de T.N.I, die nu leven moeten op kosten van de Kampongbevolking en hierdoor een terreur uitoefenen waarvan de bevolking de dupe wordt. Deze wordt gedwongen bomen te kappen om wegen te versperren e.d. Nu moet deze bevolking aan het verstand gebracht worden dat dit niet langer gaat.

Als we in een kampong zijn gaat men daar op last van ons weer enthousiast aan het bomen ruimen, maar als we weer vertrekken heeft men niet de moed om daarmee door te gaan en dan zijn de ploppers weer de baas. Toch komt op den duur dit wel in orde, want de Inlichtingen Dienst doet ook zijn werk, maar het zal een paar maanden langer duren dan oorspronkelijk verwacht werd.

Dat dit alles voor ons als soldaten een zeer zware dienst betekent is u intussen wel duidelijk. En niet eens zozeer het gevaar, maar nog meer het klimaat en het terrein en de grote afstanden zijn hierbij het meest afmattend.

Ik houd er dan ook mee op iedere patrouille te beschrijven, dat gaat niet meer. We zijn nu in het stadium waarover gezwegen en niet teveel geschreven moet worden. Als het eindresultaat bevredigend is, dan ben ik meer dan tevreden.

Het is niet prettig om zo te moeten optreden, maar na wat nadenken geloof ik dat het volkomen verantwoord is. Nu eindig ik maar. Ik ben benieuwd naar de trouwfoto's.

Hartelijke groeten voor u allen. Sterkte en tot ziens toegewenst

van uw Maarten.

Naar: Inhoudsopgave archief of Inhoudsopgave 't Kan Anders


Last Updated 17 januari 2000